Basisregels van Magic: The Gathering
Genoeg om een potje te begrijpen en te spelen, in gewone taal. Sommige formats veranderen deze regels — vooral Commander.
Het doel van het spel
Je speelt meestal 1-tegen-1. Beide spelers beginnen met 20 leven, een deck van minstens 60 kaarten en een openingshand van 7 kaarten. Je wint zodra een van deze dingen bij je tegenstander gebeurt:
- Leven naar 0
- Breng het leven van je tegenstander van 20 naar 0, meestal met wezens en directe schade.
- Leeg deck
- Een speler die een kaart moet trekken terwijl zijn deck leeg is, verliest.
- 10 giftellers
- Sommige kaarten geven giftellers (poison). Bij 10 stuks verlies je.
De kaarttypes
Het type van een kaart bepaalt wat hij doet en wanneer je hem speelt. Landen, wezens, artefacten, enchantments, planeswalkers en battles blijven op tafel liggen (permanents). Instants en sorceries doen eenmalig hun effect en gaan daarna naar de aflegstapel.
- Land
- Levert mana, je grondstof. Je mag er meestal 1 per beurt spelen.
- Creature (wezen)
- Kan aanvallen en blokkeren. Heeft power/toughness: aanvalskracht en levens.
- Instant
- Spreuk die je op elk moment mag spelen, ook in de beurt van je tegenstander.
- Sorcery
- Spreuk die je alleen in je eigen hoofdfase speelt, als de stack leeg is.
- Enchantment
- Een blijvend effect dat op tafel blijft liggen.
- Artifact
- Meestal een kleurloos voorwerp; kan van alles doen, soms een uitrusting (Equipment).
- Planeswalker
- Een bondgenoot met loyaliteit-abilities; je gebruikt er één per beurt.
- Battle
- Een nieuwer type dat spelers samen aanvallen of verdedigen.
Een deck bouwen
De meeste formats zijn "constructed": je stelt vooraf je eigen deck samen. De basisregels daarvoor gelden voor bijna alle 1-tegen-1 formats (Standard, Modern, Legacy, enzovoort):
- Minstens 60 kaarten
- Er is geen maximum, maar de meeste spelers houden het rond de 60.
- Maximaal 4 per kaart
- Van elke kaart mag je er hoogstens 4 in je deck; basislanden mogen onbeperkt.
- Sideboard (optioneel)
- Tot 15 extra kaarten om tussen de games van een best-of-three mee te wisselen.
Elk format bepaalt daarnaast zelf welke kaarten zijn toegestaan (de kaartpool) en welke verboden zijn (de banlist). Formats als Commander wijken hier flink van af; zie het tabblad Formats.
Mana en de vijf kleuren
Mana is de grondstof waarmee je kaarten speelt. Je krijgt het door je landen te tappen. Magic heeft vijf kleuren met elk een eigen stijl, plus kleurloos mana.
- Wit
- Orde en bescherming: kleine wezens, leven winnen, oplossingen voor problemen.
- Blauw
- Kennis en controle: kaarten trekken, counterspells, terugtoveren naar de hand.
- Zwart
- Macht ten koste van alles: removal, offeren, leven als grondstof.
- Rood
- Snelheid en chaos: directe schade, haast en agressieve wezens.
- Groen
- Natuur en groei: grote wezens en extra mana (ramp).
- Kleurloos
- Mana zonder kleur, o.a. van veel artefacten en niet-basale landen.
De manakosten staan rechtsboven op een kaart. Zo betekent {2}{U} twee willekeurige mana plus één blauw. De totale hoeveelheid heet de manawaarde.
Waar kaarten zijn: de zones
Een kaart bevindt zich altijd op een van deze plekken:
- Deck (library)
- Je dichte trekstapel.
- Hand
- De kaarten die je vasthoudt; standaard trek je er 1 per beurt.
- Slagveld (battlefield)
- Alles wat in het spel ligt: landen, wezens, enzovoort.
- Aflegstapel (graveyard)
- Waar kaarten heen gaan als ze sterven, aflopen of zijn gebruikt.
- Ballingschap (exile)
- Apart gelegd, meestal helemaal uit het spel.
- De stack
- Waar spreuken en abilities even wachten voordat ze afgaan (zie verderop).
Een beurt stap voor stap
Elke beurt verloopt in vaste fasen. Vereenvoudigd:
- 1. Ontvouwen
- Je ontdraait (untap) al je getapte permanents.
- 2. Upkeep en trekken
- Sommige effecten gaan af; daarna trek je een kaart.
- 3. Eerste hoofdfase
- Speel landen, wezens en andere spreuken.
- 4. Gevecht
- Val aan met je wezens (zie het volgende hoofdstuk).
- 5. Tweede hoofdfase
- Speel eventueel nog meer kaarten.
- 6. Eindfase
- De beurt eindigt; heb je meer dan 7 kaarten, leg dan af tot 7.
Gevecht (combat)
Aanvallen gaat zo: jij kiest welke wezens aanvallen en tapt ze. Je tegenstander kiest met welke wezens hij blokt. Daarna wordt tegelijk gevechtsschade toegebracht: een wezen doet schade gelijk aan zijn power. Een ongeblokkeerd wezen raakt de speler, een geblokkeerd wezen raakt zijn blokker. Krijgt een wezen deze beurt schade gelijk aan of hoger dan zijn toughness, dan sterft het.
Trefwoorden zoals flying, trample en first strike veranderen hoe gevecht werkt. Zoek ze op onder Trefwoorden.
De stack en timing
Speel je een spreuk of activeer je een ability, dan gaat die eerst op de stack in plaats van meteen af. Beide spelers mogen reageren met instants. Daarna gaat de bovenste (als laatst toegevoegde) als eerste af, dan de volgende, enzovoort. Zo kan een goedkope instant een dure spreuk nog onderscheppen.
Vuistregel: instants en abilities mag je bijna altijd spelen, ook in de beurt van je tegenstander. Landen, wezens, sorceries en de meeste andere kaarten speel je alleen in je eigen hoofdfase, als de stack leeg is.
Handige begrippen
- Tappen
- Een kaart 90° draaien om aan te geven dat hij gebruikt is (een land voor mana, of een aanvallend wezen). Terugdraaien heet untappen.
- Summoning sickness
- Een wezen dat net bij je is gekomen kan die beurt nog niet aanvallen of tappen, tenzij het haste heeft.
- Doelwit (target)
- Veel spreuken kiezen een doelwit. Zonder geldig doelwit kun je ze niet spelen.
- Tellers (counters)
- Markeringen op een kaart, bijvoorbeeld een +1/+1-teller die een wezen groter maakt.
- Token
- Een kaartloos spelobject dat door een effect ontstaat, bijvoorbeeld een 1/1 Soldier-token.
- Manawaarde
- De totale hoeveelheid mana in de kosten van een kaart (vroeger "converted mana cost").
Open de basisregels in de app →
Laatst bijgewerkt: 4 augustus 2026